De reeën
Ree, Capreolus capreolus: deze soort was uit het Zoniënwoud verdwenen en men heeft hem moeten herintroduceren. Het is de enige "grote" herbivoor in het woud en is nochthans niet groter dan een geit.
Men kan haar vooral 's winters, vroeg in de ochtend, in de open plekken
waarnemen, in kleine roedels van vijf of zes dieren. Alleen het
mannetje heeft een gewei, dat in de herfst afvalt en vervolgens weer
aangroeit. In maart-april gaan de individuen die deel uitmaken van een
familie elk huns weegs; in de herfst komen ze weer bij elkaar.
De reegeit wordt tussen het einde van juli en het midden van augustus beslagen, maar de innesteling van de eicel vindt vreemd genoeg pas later plaats: de ontwikkeling van het embryo begint eerst in december. De reekalveren - meestal zijn het er twee per worp - worden in mei geboren (de eigenlijke dracht duurt dus maar vijf en een halve maand). Het zogen dient steeds vlug te geschieden: het grootste deel van de dag worden de kalveren door hun moeder achtergelaten op een plaats waar de vegetatie heel dicht is.
De wandelaar die zo'n reekalf aantreft dient niet te snel te concluderen dat het om een verlaten dier gaat. Men mag het kalfje in geen geval aanraken, omdat de mensengeur de moeder ertoe zal aanzetten het te verstoten.
video: Eric Heymans

